Boeken

De Schaduw van de Drost

De Schaduw van de Drost - Voorkant

Er gebeuren vreemde dingen in de kleine Twentse stad. Zaken die het daglicht maar moeilijk verdragen. De Haagse vriendinnen Kristine en Edith komen in het bezit van een oud document. Ze vertrekken, nieuwsgierig gemaakt, naar Ootmarsum. Ze raken in de ban van de stad, met z’n eeuwenoude straten en huizen, z’n sagen en legenden. Hun zoektocht naar het geheim van de Drost blijkt voor Kristine niet zonder gevaar. De lijn tussen waan en werkelijkheid is soms bedreigend dun. En dan zijn er ook nog een oude violist en een meisje met rode krullen. Vindt elk van hen dat waar ze op hoopten of krijgen ze waar ze niet van durfden dromen?

135 x 205 mm.
300 blz.
Paperback
ISBN 978-90-820600 5 8
Prijs € 14,50
Uitgave Artisan Publishing
Verkrijgbaar in of via de reguliere boekhandel,
of rechtstreeks te bestellen bij de schrijfster josinekooiker@hotmail.com of bij artisan@ziggo.nl20140605_160646

Fragment ‘De Schaduw van de Drost’

Op dit uur lag de heuvel verlaten, slechts één man stond er naast het podium. Vanaf de straatweg was hij niet te zien. De bakstenen watertoren met z’n halfronde en rechthoekige vormen hield hem verborgen. Hij stond heel stil en kaarsrecht, als een wachter stond hij daar en keek naar de stad en het land. Zijn stad, zo voelde hij het sinds zijn moeder hem voor het eerste had mee genomen naar deze heuvel. Het was hier dat ze hem haar grote geheim had toevertrouwd en hem had aangesteld als bewaker van dat geheim. Dat was vele jaren geleden, hij was nog een kind. Nu was hij oud en hij voelde de ouderdom in zijn stramme benen en pijnlijke botten. Al die jaren was hij naar deze plek gekomen om te kijken naar zijn stad. Om te zien hoe ze groeide en veranderde en toch hetzelfde bleef. Om haar geheim, dat ook zijn geheim was, te beschermen met zijn aanwezigheid.
Hij was een beetje gek, niet helemaal honderd procent, zeiden de mensen. Hij wist wel wat er over hem gezegtd werd, al dachten zij van niet. Gekke Vincent, noemden ze hem, terwijl ze hem lachend op de schouder sloegen: ‘We maken maar een grapje jongen, trek het je niet aan’. Hij trok het zich niet aan, Integendeel, het was precies zoals hij wilde dat er over hem gesproken werd. Hij deed zijn werk, onopvallend en oververstoorbaar. Hij repareerde de oude meubels, klokken en schilderijen die de mensen hem, waarschijnlijk uit medelijden, brachten en leefde alleen in het huis dat zijn grootvader ooit had gekocht. Het stond verscholen in het groene niemandsland achter de volkstuinen, vlakbij de plaats waar ooit het kasteel van de Ridders van de Duitse Orde, de Commanderie had gestaan en, eeuwen later, het Huis Ootmarsum. Het was een goed plek om te wonen, dichtbij de stad en toch afgezonderd van al haar bezige gedoe.

Buiten was de schemering gevallen en het rook naar vochtige aarde en natte bladeren. Tessele haalde diep adem en nam Kristine enthousiast bij de arm. ‘Hoor je die muziek? Vanavond is de kerstmarkt. Kom, we vragen Herman en Edith mee en gaan kijken bij het wagenspel voor de kerk’. Door de stad dwarrelden de tonen van een viool en daar doorheen klonk de zoete, weemoedige klank van een midwinterhoorn. De gedempte tonen pasten bij deze donkere dagen en bij deze geheimzinnige, met sagen en legenden omgeven stad. In het hotel waren ze net klaar met het diner. Edith stribbelde nog even tegen, ze zag er niet uit en wilde zich eerst verkleden, maar Herman was blij hen te zien en hij sleepte Edith zonder pardon mee naar buiten. Arm in arm liepen ze met z’n vieren naar het kerkplein. Overal brandden vuurkorven en de gloeiende houtblokken joegen fonteinen van gouden vonken in de lucht. Bij een kraam schonk een blonde marketentster kruidige glühwein aan een jonge minstreel. Hij droeg een rood wambuis met gele strepen over een witte bloes. En zijn lange benen staken in en strakke groene maillot. Op zijn hoofd prijkte een mal hoedje met een lange pauwenveer. Hij tokkelde op een kleine harp en keek het meisje smachtend aan.
Edith gaf haar vriendin een por en knikte in de richting van de minstreel. Het was Felix die zich uitsloofde om de marketentster te imponeren. Hoe kwam die jongen zo snel aan dat kostuum? En dat meisje? Dat was warempel Viola, het meisje dat ze gezien hadden in Huis Brecklenkamp.
‘Die zoon van jou heeft wel verstand van mooie vrouwen. Het heeft hem niet veel tijd gekost om het mooiste meisje van de stad te vinden’, knipoogde Edith. Kristine giechelde en zwaaide naar hem en hij maakte grijnzend een zwierige buiging. Ze slenterden langzaam verder. Steltlopers in bontgekleurde kostuums liepen hoog boven het volk in een trage, wiegende gang. Rond een oude huifkar dansten vrouwen gehuld in witte lakens, een bezwerende reidans. Daar werd het eeuwige mysterie van geboorte en sterven verbeeld door een griezelig echt lijkend sleket met een maaiende zeis en jonge meisjes die hand in hand dansten rond een meiboom.

Ze liepen hand in hand door de oude starten. Tessele maakte een paar malle danspassen en kuste Kristine zo warm en lang op haar mond dat ze naar adem snakte en zich verlegen afwendde. ‘Niet doen, de mensen kijken naar ons.’ ‘Laat ze kijken, dat zijn ze hier wel gewend van mij. Vooruit, kus mij eens, jij preutse dame.’
Kristine stribbelde nog wat tegen, maar deed toen wat haar werd opgedragen, ze kuste Tessele in het openbaar! Het was of ze jarenlang slaapwandelend door de dagen was gegaan, maar nu tintelde ze van het leven en ze voelde het bloed in haar bruisen. Ze moest zich bedwingen om niet uit te barsten in een galmende aria. Ik ben als het oudere zusje van Doornroosje, wakker gekust door een prinses, dacht ze met enige zelfspot.


Kind van het Twentse platteland

Ons Kleen - Voorkant

Het boek gaat over een meisje dat opgroeit op een oud boerenerf in Twente, voor en tijdens de Tweede wereldoorlog. Het is het waargebeurde verhaal van een meisje en een jongen, buurkinderen, op dezelfde dag geboren, en de liefde die er tussen hen ontluikt. Het lieflijke Twentse landschap vormt het decor waarin het verhaal zich afspeelt.

Het boek is ook een soms weemoedige vertelling over een manier van leven op het Twentse platteland waaraan na de Tweede Wereldoorlog heel snel en voorgoed een einde kwam.

Van dit boek is een herdruk in voorbereiding.

20140604_161211

Fragment ‘Kind van het Twentse platteland’

Siena zuchtte diep toen ze moeizaam naar de schuur liep om de kalfjes te voeren. Was het vandaag zo warm of had zij het alleen zo warm? Haar hemd plakte aan haar lijf. Ze was nu in de laatste maand van de zwangerschap en het viel haar zwaar. Het kindje mocht nu wel komen. Had ze het bij haar vorige zwangerschappen op het laatst ook zo moeilijk gevonden? Ze wist het niet meer. Zeven kinderen en de achtste op komst, dan had je niet veel tijd meer tot overpeinzen. Ze was blij dat Meike, haar zus, deze week was gekomen om haar te helpen en haar bij te staan na de bevalling. Toen ze de kleine kalverenschuur binnenkwam, hoorde ze Dika II klagelijk loeien. Ze haastte zich er naar toe: zou het kalf nu al komen? De koe lag op het stro, ze was apart gezet van de anderen beesten zodat ze in alle rust haar kalfje kon krijgen. ‘Joa, ik en oe, w’j verschilt nich zovölle van mekaar. Wi’j loopt alle beir vop ’t lest, mer ik hop toch wa dat ik oe veur bin!’

“Veer jongs en veer wichter, dat hebt wi’j toch mooi veur mekaar, Siena’, lachte Jens. Hij was blij en dankbaar dat het ook deze keer weer goed was gegaan. Vrouw en kind gezond. Dat is een grote weelde! De baby was nog maar net gewassen en zorzaam ingebakerd in haar wiegje gelegd, toen Gerard Pouwels, ‘Sluus Gait’, op zijn fiets het erf op jakkerde, de fiets tegen de muur smeet en de deel op stormde. ‘De vroedvrouw mot direkt met komm’n. Bie oons is ’t ok zo wiet. De vrouw krijg nen kleen’n!’ Een paar uur later baarde Antonia Pouwels haar tweede kind, een jongetje. Beide baby’s werden nog diezelfde dag gedoopt in het kerkje van de St. Pancratius in Albergen. Ze wisten het nog niet, maar hun levens waren vanaf dat moment onherroepelijk met elkaar verbonden!

Bij Oude Lenfering hadden de grote kerels nog een klein probleem: Dika II had gekalfd en moest meteeen gemolken worden om de melkproduktie op gang te krijgen. De koe vertrouwde niemand anders bij zich dan Siena, maar zij mocht beslist niet opstaan. Een jonge moeder moest tien dagen strikt het bed houden. Dika loeide zo klagelijk, het sneed je door de ziel. Er zat niks anders op: Jens en de broers droegen Siena met bed en al de deel op en Herman bracht de koe bij haar. Ze keken stil toe hoe Siena de koe molk. Het was een mooi gezicht: de ene moeder die de andere hielp. ‘Ie’j en ik, wi’j beiden heb ’t ‘m toch mer mooi lapt’, fluisterde Siena in het fluwelige koeienoor. De koe stond er rustig bij en kauwde tevreden op wat hooi.
Het was woensdag 25 juni, 1924.

Advertenties